Geen steen op de andere

Met ingang van 2003 verwelkomde Nederland een geheel nieuw erfrecht. Meer dan vijftig jaren waren verstreken sinds de eerste steen voor het nieuwe bouwwerk werd gelegd. Het oude erfrecht dateerde grotendeels van 1838. Het grootste probleem waarmede de wetgever sinds worstelde, betrof de wijze waarop de erfrechtelijke positie van de langstlevende echtgenoot zou worden versterkt. Dat die positie verbetering behoefde, stond buiten kijf.

Sinds 1990 (zo ongeveer) eiste nog een ander vraagstuk nadrukkelijk de aandacht op: de legitieme portie. Daaronder wordt verstaan de erfrechtelijke aanspraak die een kind niet kan worden ontnomen. De wetgever reserveert voor kinderen een deel van de nalatenschap. In toenemende mate begon de vraag te klemmen of die legitieme portie moest worden gehandhaafd. Steeds vaker klonk de opvatting dat iemand met zijn vermogen moet kunnen doen en laten wat hij wenst. De wetgever zou in dit opzicht niet betuttelend moeten optreden.

Het nieuwe erfrecht bracht zowel ten aanzien van de positie van de langstlevende echtgenoot als voor wat betreft de legitieme portie ingrijpende wijzigingen. Maar ook overigens bleef geen steen op de andere. Het nieuwe erfrecht heeft revolutionaire trekken. Bijzondere aandacht heeft de nieuwe wet voor stiefouders en stiefkinderen alsmede voor de 'levensgezel'.


terug   |    volgende