Erven door broers en zusters

Sprekers en schrijvers over het erfrecht gaan er nogal eens van uit dat de overleden persoon of degene die de sterfelijkheid onder ogen ziet, een levensgezel heeft en afstammelingen achterlaat. Te gemakkelijk wordt er aan voorbij gegaan dat velen ten tijde van hun overlijden geen echtgenoot of andere levensgezel hebben en evenmin zijn gezegend met nakomelingen. Doorgaans duidt men deze personen aan met de term ‘alleenstaanden’.

Als een alleenstaande sterft en niets bij testament heeft geregeld omtrent de bestemming van zijn nalatenschap, bepaalt de wet dat de ouders van de overledene alsmede diens broers en zusters gezamenlijk aantreden als erfgenamen. In beginsel krijgt ieder een gelijk deel. Echter, om duistere redenen krijgt iedere ouder van de wetgever ten minste een kwart. Als slechts één ouder in leven is, mag ook ook deze ten minste een kwart tegemoet zien. Als een broer of zuster eerder is overleden, treden de kinderen van deze gezamenlijk in de plaats.

Aan deze wettelijke regeling hoeft de alleenstaande zich niets gelegen te laten liggen. Hij is ook in dit opzicht zo vrij als een vogel, als hij iets anders in gedachten hebt. Hij kan onterven wie hij wilt en hoeft daarbij geen reden op te geven. En, laten we eerlijk zijn, er wil nog wel eens een voorkeur bestaan van de ene of de ander. En niet iedereen heeft het geld even hard nodig.

Het feit dat ouders volgens de wet erven van een kind, is vaak niet gelukkig. Er moet immers rekening mee worden gehouden dat die ouders reeds op leeftijd zijn en de kans dus groot is dat hetgeen zij van hun kind erven relatief spoedig opnieuw zal vererven en nu naar de generatie waaruit het afkomstig is. Dat betekent dat twee keer successierecht moet worden betaald naar een tarief gelegen tussen 26 en 53 procent, aangenomen dat de ouders hetgeen zij van hun kind erfden niet hebben opgemaakt.

Het kan derhalve raadzaam zijn dat de alleenstaande de ouders onterft. Dat klinkt hard maar het kan ook positief worden geformuleerd door in het testament te bepalen wie wél als erfgenamen zullen optreden. Dat zouden dus de broers en zusters kunnen zijn. Maar ook ten aanzien van hen moet de vraag gesteld worden of dat verstandig is. De omstandigheden van het geval zijn beslissend.

Bedacht moet worden dat neven en nichten in een schandalig hoog tarief vallen voor wat het successierecht betreft. De fiscus roomt tussen de 41 en 68 % af. Als een neef of nicht € 10.000 erft, moet dus € 4.100 worden ingeleverd bij de fiscus. Zeker, neven en nichten kunnen het geld vaak beter gebruiken dan broers en zusters, maar wellicht is het toch verstandiger de broer of zuster te laten erven. In plaats van hun kinderen. Een broer of zuster die € 10.000 erft, betaalt immers ‘slechts’ € 2.600 aan belasting. En als u het goed regelt kunnen de neven en nichten er toch van genieten.

Als u kiest voor het erfgenaamschap van broers en zusters, zou er op kunnen worden vertrouwen dat dezen het geërfde op hun beurt schenken aan hun kinderen en dat zijn dan uw neven en nichten. U kunt hen daartoe niet verplichten, want dan worden de neven en nichten belast alsof ze het van u kregen. (41-68%). Nee, u moet gebruik maken van de bevoegdheid van ouders om een kind jaarlijks ruim € 4.200 belastingvrij te schenken en er op vertrouwen dat uw broers en zusters via die weg hetgeen van u werd geërfd, doorsluizen.


Prof. Mr. M.J.A van Mourik
© 02-02-2005

terug print